De regering heeft op 28 maart 2017 een wetsvoorstel goedgekeurd om zogenaamde “lege doos vennootschappen” sneller en goedkoper te kunnen ontbinden via de kamer van handelsonderzoek in de rechtbank van koophandel. In de kamercommissie handelsrecht werd op 28 maart 2017 het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen en van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, ter verbetering van de ontbindingsprocedure van niet-actieve vennootschappen, van vennootschappen met een fictieve zetel en van vennootschappen waarvan de zaakvoerders over onvoldoende beroepskennis beschikken goedgekeurd. Dit wetsvoorstel strekt ertoe te voorzien in een doeltreffende ontbindingsprocedure voor de vennootschappen die niet langer actief zijn, waarvan de zetel fictief is of waarvan de zaakvoerders niet beschikken over de basiskennis inzake bedrijfsbeheer of over de beroeps bekwaamheid die voor de uitoefening van hun activiteit bij wet, decreet of ordonnantie worden opgelegd.

In België oefenen veel vennootschappen niet langer echte openbare of regelmatige activiteiten uit. Veel van die vennootschappen zijn eigenlijk lege dozen: “slapende vennootschappen” of “spook vennootschappen”. Die structuren bezorgen de rechtbanken en parketten veel werk, omdat het verdwijnen ervan vaak met een hele procedure gepaard gaat: eerst belandt het dossier voor onbepaalde tijd in de onderzoekskamer, vervolgens wordt het overgezonden naar het parket voor dagvaarding in faillissement, daarna treedt de rechtbank op om het faillissement uit te spreken en tot slot wordt het faillissementsdossier administratief afgehandeld op de griffie en door het parket.

Die vennootschappen vereisen niet alleen veel werk, ze vormen ook een gevaar want er bestaat thans een echte markt voor de doorverkoop van vennootschappen, waarbij de aankoop van een “prepack”-rechtspersoon ongeveer 4  à 5000  euro kost. Daartoe volstaat een discrete inkoop van aandelen, voor een al even discrete prijs. Door voor deze weg te kiezen vermijden toekomstige zaakvoerders de verplichte controle door het Ondernemingsloket, waarbij wordt nagegaan of er in de vennootschap kennis is van basisbeheer en van andere verplichte beroepsbekwaamheid, onder meer krachtens de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap. De onderneming voert dan op niet-concurrentiële wijze activiteiten uit, zodat de economische operatoren uit dezelfde sector die de verplichtingen wél nakomen, worden benadeeld.

Een dergelijke verborgen aankoop maakt het door een loutere overdracht van aandelen en in een “gunstige” anonimiteit ook mogelijk te werken met vennootschappen die als dekmantel dienen voor de meest uiteenlopende en soms illegale doeleinden. Dit wetsvoorstel strekt er voorts toe het vaak opduikende fenomeen van de fictieve vennootschapszetels aan te pakken. Rechters in handelszaken stellen dikwijls vast dat vennootschapszetels gevestigd zijn bij privé- personen die daar hun toestemming niet voor hebben gegeven, of op onbestaande adressen.

Dergelijke praktijken maskeren allerlei soorten fout gedrag en moeten kunnen worden rechtgezet.

De gedwongen ontbinding van een rechtspersoon kan volgens het vigerende recht alleen gebeuren op vordering van het openbaar ministerie of van een belanghebbende. De ervaring leert dat het openbaar ministerie zulks niet als een kerntaak beschouwt, en de recente evolutie van het takenpakket van het parket bevestigt dat. De kamers voor handelsonderzoeken van de rechtbanken kunnen in dit opzicht een efficiënte rol spelen. Zij mogen wettelijk alle rechtspersonen met een economische activiteit volgen, en kunnen in het bijzonder nagaan of een onderneming effectief een activiteit uitoefent. Wanneer die kamers vaststellen dat de onderneming kennelijk niet langer actief is en dus zou kunnen worden ontbonden, moeten zij na zorgvuldig onderzoek de zaak kunnen verwijzen naar een feitenkamer bij de rechtbank. Die laatste zal dan de ontbinding kunnen uitspreken na de betrokkenen te hebben gehoord of opgeroepen.

Hetzelfde geldt wanneer de vennootschap de concurrentie verstoort doordat zij de wettelijke voorwaarden voor de uitoefening van het beroep niet in acht neemt. Zoals nu al het geval is wanneer de vennootschap zou worden ontbonden omdat zij drie opeenvolgende keren heeft verzuimd de jaarrekening neer te leggen, kan de rechtbank in elk geval de vennootschap de mogelijkheid bieden haar situatie te regulariseren. Die gang van zaken is zeker niet in strijd met de beginselen van een eerlijk proces. De zaak wordt door een van de rechtbank onafhankelijke instantie aanhangig gemaakt bij een feitenkamer. Een dergelijke procedure is niet uitzonderlijk – zie onder meer artikel 8 van de bestaande Faillissementswet van 8 augustus 1997. Voorts zij opgemerkt dat naar vaste cassatierechtspraak zowel bij faillissement als bij ontbinding samenloop van schuldeisers kan bestaan en dat er, zelfs bij een deficitaire vereffening van een vennootschap, geen enkele reden is om per definitie veeleer voor een faillissement dan voor een ontbinding te kiezen wanneer daarvoor een voldoende draagvlak bestaat bij de schuldeisers.

Het betreffende wetsvoorstel tracht een antwoord te bieden op deze vragen.

David Boelens

Juridisch medewerker – Licentiaat in de rechten